Er zijn twee typen daken: platte en hellende daken. Hellende daken worden in Nederland meestal gedekt met dakpannen. Er is een enorme variatie aan beschikbare modellen, oppervlakte-afwerkingen en kleuren voorhanden. Globaal gezien worden dakpannen onderscheiden in betondakpannen en kleidakpannen. Bij Imabo hebben we uiteraard alle dakmaterialen die u zoekt.
Het verglazen van de pan behoort ook tot de mogelijkheden. Toepassing hiervan leidt tot dakpannen met een mat of glanzend oppervlak en met een rijke volle kleurstelling. Geglazuurde dakpannen zijn zeer resistent tegen weersinvloeden. Voor zowel betondakpannen als voor kleidakpannen is een uitgebreid scala aan hulpstukken leverbaar. Verder zijn zogenoemde daktoebehoren nodig. Dit zijn accessoires die zorgen dat het dak bestendig is tegen bijvoorbeeld opwaaien en ongedierte. Ook zorgen daktoebehoren voor een goede ventilatiefunctie en het maken van een aansluiting tegen opgaand metselwerk of rondom schoorstenen. Vraag Imabo om advies.
Verwerkingsvoorschriften algemeen
Minimum dakhelling
De minimum dakhelling is 25° (47%) (bij beton 20°). Voor dakhellingen beneden de 25° (47%) (bij beton 20°) gelden nadere eisen.
Ventilatie en constructie dakschild
In onderstaande tabel zijn voor de verschillende dakhellingen de aan te houden minima voor de ‘vrije’ tengelhoogte en de maximum lengte van het/de dakschild(en) aangegeven. Bij toepassing van zelfventilerende droge nokconstructies kunnen ventilatiepannen achterwege blijven. Nokconstructies welke zijn dichtgezet/ aangesmeerd zijn niet ventilerend. Bij deze constructies moeten ter weerszijden van de nok, over de volle dakbreedte, ventilatiepannen worden toegepast, zoals in onderstaande tabel is aangegeven.
Onder ‘vrije’ tengelhoogte wordt verstaan de open ruimte tussen dakbeschot en/of isolatie en onderkant panlat.
De volgende nokconstructies worden als ventilerend beschouwd:
- niet aangesmeerde zadel-, omloop- en ballonvorsten
- halfronde vorsten met universele ventilerende ondervorsten.
Voor dakvoetventilatie is een ventilatiedoorlaat van min. 8000 mm2 (beton: 9000 mm2) per m1 dakvoet nodig. Dit is te bereiken door een vrije tengelhoogte van min. 10 mm.
Isolatie
Gespoten of geblazen isolatie, die de ruimte tussen pannen en beschot geheel dichtzet, niet toepassen.
Verwerkingsvoorschriften algemeen
Latafstand
De latafstand op het werk, volgens NEN 1304 controleren, door 10 dakpannen willekeurig uit de partij ‘getrokken’ en ‘gedrukt’ te meten. De juiste latafstand is:
Dekkende breedte
Hetzelfde doet men voor het controleren van de dekkende breedte.
Hulpstukken
Indien hulpstukken worden toegepast, moet worden nagegaan of deze op de gevonden latafstanden en dekkende breedte passen.
Het dekken
Benut het sluitingsprofiel van de dakpannen geheel. De pannen dus nooit in de lengteen/ of breedterichting te veel uit elkaar trekken of in elkaar drukken.
Voet
De onderste rij pannen en/of het dakbeschot mogen niet in het water van de goot komen te hangen.
Nok
De bovenste panlat zodanig hoog aanbrengen dat de dakpannen goed onder de nokvorsten komen te liggen (max. 40 mm). Zet de vorsten vast met bijbehorende vorstbeugels, die bevestigd dienen te worden op de ruiter en maak gebruik van ruiterdragers voor het vastzetten van de ruiter.
Verankering
Ten aanzien van de verankering geldt vanaf 1 oktober 1992 het Bouwbesluit resp., de voorschriften volgens NEN 6707 / NPR 6708. Gevelpannen en dubbelwelpannen onder alle omstandigheden vastzetten. Voor chaperonpannen is een dubbele verankeringsmethode.
Dakvormen
In de praktijk worden de navolgende basis dakvormen onderscheiden: